|
De 12 celzouten volgens dr. Schüßler:
1) Calcium fluoratum
Calcium fluoratum is verantwoordelijk voor de elasticiteit van het bindweefsel, dus voor banden, weefsel, vaten, spieren en bovendien voor het glazuur en het botoppervlak. Het oppervlak beschermende hoornstof (keratine) wordt door calcium fluoratum gebonden.
2) Calcium phosphoricum
Calcium phosphoricum is het belangrijkste botopbouwmiddel en vormt het tandbeen. Verder is het nodig voor de vorming van bloed, de eiwit- en celopbouw.
3) Ferrum phosphoricum
Ferrum phosphoricum is een wezenlijk bestanddeel van de rode bloedlichaampjes. Het bindt zuurstof in de rode bloedlichamen waardoor deze tot de cellen wordt getransporteerd.
4) Kalium chloratum
Kalium chloratum zorgt voor de binding en opbouw van vezels in het lichaam, deze zijn een wezenlijk bestandsdeel van het bindweefsel. Tevens beïnvloedt het de werkzaamheid van de klieren.
5) Kalium phosphoricum
In verbinding met natrium chloratum zorgt kalium phosphoricum voor de opbouw van nieuw weefsel. Kalium phosphoricum komt voor in alle hersen- en zenuwcellen, in het bloed en in de spieren en is een onontbeerlijke energiedrager. Het bindt lecithine in het lichaam.
6) Kalium sulfuricum
Kalium sulfuricum is een zuurstofdrager. Het is onontbeerlijk voor regelmatige celvernieuwing. In het huidoppervlak is kalium sulfuricum nodig voor de pigmentvorming. Samen met calcium fluoratum vormt het de bovenste laag van de huid . Kalium sulfuricum is brandstof is voor de alvleesklier.
Bij het gebruik van kalium sulfuricum als celzout - nr.6 is het sterk aan te bevelen om gelijktijdig nr.10 natrium sulfuricum in dubbele hoeveelheid te gebruiken.
7) Magnesium phosphoricum
Magnesium phosphoricum is medeverantwoordelijk voor de opbouw van de botten. Magnesium phosphoricum stuurt het vegetatieve zenuw-stelsel aan en heeft hierdoor invloed op de werking van het hart, de zenuwen, de bloedsomloop, de klieren, de verteringsorganen en de stofwisseling. Het beïnvloedt alle bezigheden van het organisme die niet met de wil aan te sturen zijn. Via de klieren werkt magnesium phosphoricum in op het basaalmetabolisme.
8) Natrium chloratum
Natrium chloratum vermenigvuldigt de hoeveelheid rode bloedlichaampjes. Het is nodig voor de opbouw van slijm (mucin) in het lichaam en is zo betrokken bij de opbouw van alle slijmvliezen. Het reguleert de warmte- en vochthuishouding in het lichaam, het vormt kraakbeenweefsel en gewrichtsvocht. Het is in principe verantwoordelijk voor alle lichaamsdelen die niet doorbloed worden, omdat natrium chloratum door de vochtaantrekkende werking deze verbindt met de stofwisselingskringloop.
9) Natrium phosphoricum
Natrium phosphoricum ondersteunt het lichaam bij de uitscheiding van urinezuren zodat ophopingen of afzettingen wordenvermeden. Het reguleert de vetstof-wisseling en is verantwoordelijk voor de afbraak van suiker.
10) Natrium sulfuricum
Natrium sulfuricum is een belangrijk ondersteuningsmiddel voor de lever, gal en de dikke darm. Het reguleert bovendien de suikerhuishouding.
11) Silicea
In alle cellen van het lichaam bevinden zich grote hoeveelheden kiezelzuur. Silicea is hoofdverantwoordelijk voor de sterkte van het bindweefsel, vooral voor de huid, haren en hoeven. Silicea is bovendien belangrijk voor het bindvlies van het oog. Silicea reguleert het geleidend vermogen van de zenuwbanen. Met behulp van silicea kunnen in het bindweefsel zuren worden ingekapseld.
Bij het gebruik van silicea als celzout - nr.11 is het sterk aan te bevelen om gelijktijdig nr.9 natrium phosphoricum in dubbele hoeveelheid te gebruiken.
12) Calcium sulfuricum
Calcium sulfuricum dat voornamelijk in de lever, gal en spieren voorkomt werkt slijmoplossend en bevordert de uitscheiding. Het is brandstof voor bindweefselcellen.
Aanvullende minerale zouten:
De aanvullende minerale zouten zijn celzouten die maar in minimale hoeveelheden in het lichaam voorkomen
13) Kalium arsenicosum
Kalium aresenicosum heeft invloed op de veranderingsprocessen in het lichaam. Het vertraagt de processen en heeft een bijzondere werking tegen bacterieen. Het komt o.a. voor in de huid, haren, schildklier, lever, nieren en de hersenen.
14) Kalium bromatum
Kalium bromide komt in zeer kleine hoeveelheden in het lichaam voor. Het is gevonden in de zogenoemde endrokliene klieren. Het heeft een relatie met de werking van de zenuwen, de hersenen en de klieren.
15) Kalium jodatum
Jodium is bijna alle cellen aanwezig. Het is vooral in de schildklier (ong. de helft van de totale hoeveelheid) en ook in de lever, milt, nieren, maag, huid, haren en hoeven aanwezig. Indien het lichaam een tekort aan jodium heeft zal met behulp van de schildklier de behoefte geprobeerd worden te compenseren.
16) Lithium chloratum
Lithium wordt vooral in de skelet, de tanden, de hypofyse en in de bijnieren opgeslagen. In de hersenen wordt het lithium langzaam opgenomen. Het wordt vooral via de nieren uitgescheiden. Het lithium beinvloedt o.a. de schildklierstofwisseling.
Het lithium komt slechts in hele kleine hoeveelheden in het lichaam voor, vandaar dat het lang geduurd heeft voordat het in het lichaam teruggevonden is.
17) Manganum sulfuricum
informatie volgt binnenkort
18) Calcium sulfuratum
informatie volgt binnenkort
19) Cuprum arsenicosum
informatie volgt binnenkort
20) Kalium-aluminium sulfuricum
informatie volgt binnenkort
21) Zincum chloratum
Zink is medeverantwoordelijk voor de groei en differentieering van cellen, de hormoon productie is afhankelijk van de toevoer van zink. Het is ook een essentieel onderdeel van het immunsysteem. In combinatie met vitamine A is zink belangrijk voor de stofwisseling van het oog. In de alvleesklier is het een belangrijk element voor de regulatie van de bloedsuikerspiegel en de opslag van insuline.
22) Calcium carbonicum
informatie volgt binnenkort
23) Natrium bicarbonicum
informatie volgt binnenkort
24) Arsenum jodatum
informatie volgt binnenkort
25) Aurum chloratum natronatum
informatie volgt binnenkort
26) Selenium
informatie volgt binnenkort
27) Kalium bichromicum
informatie volgt binnenkort
|